Het Huis
Hoofdstuk 1
HET LEEK OP een gewone dag op kantoor. Tom en ik zaten zoals gewoonlijk tegenover elkaar. Rond ons werd er bedrijvig op toetsenborden getokkeld, gebeld en druk heen en weer gelopen.
Ik had al even niets meer getypt. Mijn halfafgewerkte antwoord wachtte ongeduldig op een vervolg. In mijn ooghoek knipperde een van de witte kantoorlampen. De airco maakte een zacht zoemend geluid. Het licht en geluid werkte als een slangenbezweerder op mijn concentratie. Mijn gedachten dwaalden steeds af naar mijn aanstaande performance review, waar ik tegenop zag als tegen een naderend onweer.
Tom slurpte luid van zijn koffie. Dat deed hij vaker.
“Bah, koud,” zei hij. “Kom je mee naar de keuken?”
“Hm?” Zijn woorden onderbraken mijn gepieker.
Hij prutste aan zijn oorbel. “Ik vroeg of je mee nieuwe koffie komt halen?”
Ik blies lucht door mijn neus en krulde mijn mond om in een zwakke grijns. “Oh ja, goed hoor!”
Samen liepen we langs de bureaus van onze collega’s die druk aan het werk waren. Of toch deden alsof. Mijn ogen gleden af naar de ruimte waar mijn manager Marc ijverig aan het bellen was. Er liep een rilling over mijn rug. Tom was langer dan ik. Hij bleef me aanstaren terwijl ik zwijgend verder liep. “Hoe was je week?” Ik keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan.
“Mijn week?” De geluiden van bellende collega’s en het gestommel van het kantoor beukten als een stormram op mij in.
“Ja, je weet wel. Hoe ging het?” vroeg Tom. Ik nam een tas uit de kast en keek of hij proper was voor ik hem onder de koffiezet plaatste.
“Ging wel.” Ik haalde mijn schouders op.
“Heb je wat gedaan gekregen?” Om de een of andere reden wilde hij me niet aankijken, terwijl hij op mijn antwoord wachtte. Hij wist meer dan hij deed uitschijnen.
“Goh, ja hoor.” Ik keek wezenloos naar de koffiemachine die mijn latte uitspuwde. Mijn gedachten gleden af naar het laatste gesprek met Marc.
“En jij?” vroeg ik. “Nog iets leuks gedaan?”
Mijn mond voelde droog aan. Ik nam mijn koffie en maakte plaats voor Tom. Hij selecteerde zijn gebruikelijke zwarte koffie.
“Ik had een afspraak voor mijn nieuwe tattoo,” zei hij en hij greep suiker uit de kast. Zijn hele rechterarm stond al vol. “Morgen na het werk ga ik iets drinken in de Dancing Pony. Er is een optreden van Neptune Bloom.”
“Ah! Leuk!” Ik haalde mijn gsm boven en deed alsof ik mijn mails nakeek.
“Waarom kom je niet mee?” probeerde Tom. “Of had je al plannen met Lien?”
“Nee, niets gepland, gewoon een rustig weekend.”
We liepen samen naar het raam. We bevonden ons op de zesde verdieping van een groot kantoorgebouw. We dronken onze koffie in stilte. Toms ogen gleden af en toe naar mij. Ik deed alsof ik het niet zag en staarde naar de voorbijrazende auto’s, die vanaf hier wel speelgoed leken.
“Kom nog eens mee, man! Een paar pintjes, wat muziek, het zal je goed doen!” zei Tom.
Ik zweeg en keek naar het kantoorgebouw tegenover ons. Er stond een man met warrig donkergrijs haar aan het raam te bellen. Het was zo’n bedrijf waar iedereen in pak moest komen werken. Hij had een strak zwart pak aan. Onbewust ging ik ook door mijn warrige haren.
Tom tikte me op mijn schouder. “Hé, droeftoeter? Heb je me gehoord?”
“Hm, ja,” antwoordde ik en scheurde mijn blik af van de man in het raam. “Het zou inderdaad nog eens goed doen, denk ik.” Hij keek me met een brede grijns aan.
“Laat maar weten hoe laat. Dan kom ik mee,” zei ik.
“Top! Doe ik zeker! Dat gaat tof zijn!” Zijn armbandje rinkelde terwijl hij in zijn handen wreef.
“Laten we eerst die stomme performancereviews van straks maar eens overleven,” zei hij. Hij lachte om zijn eigen opmerking.
“We zouden ook gewoon naar beneden kunnen springen. Dan denk ik dat we hem mogen skippen,” zei ik. “Zou het pijn doen, denk je?”
Toms grijns verstarde.
“Goh, het zou weleens slechter kunnen aflopen dan je denkt. Wie weet overleef je het en moet je je in een rolstoel verantwoorden bij Marc,” zei hij in een poging om het weg te lachen.
Ik staarde hardnekkig voor me uit.
“Stress?” vroeg Tom.
“Het komt wel goed,” zei ik, schouderophalend.
Even na de middag werd ik naar Marcs kleine bureau geroepen.
“Goed, Remi. Zoals je weet hebben we afgesproken dat je bepaalde cijfers moest halen.” De woorden die zijn mond verlieten, vervaagden tot een buitenaards gezoem in mijn oren. Hij leunde achterover in zijn stoel en vouwde zijn handen op zijn bolle buik. Het was alsof ik van ver naar mezelf keek. De ruimte voelde klam. De stoel net iets te hard. Het witte licht deed pijn aan mijn ogen. Zijn mond bewoog zonder dat ik er iets van begreep. Hij boog zich voorover. Dichter naar mij. Zijn adem rook naar koffie. Hij had een stukje sla tussen zijn tanden zitten.
“Begrijp je wat ik zeg, Remi?” Hij tikte met zijn zilveren pen op tafel. “We hebben je veel kansen gegeven om je te herpakken.”
Ik keek hem zwijgend aan. Ik had het voelen aankomen. Een koude gloed verspreidde zich van mijn maag naar de rest van mijn lichaam.
“Ik begrijp het, ja,” hoorde ik mezelf zeggen. De woorden waren van mij, maar mijn stem klonk alsof ik in één keer tien jaar ouder geworden was. De rest van het gesprek ging recht over mijn hoofd. Verdwaasd liep ik het kantoor uit.
Mijn gsm trilde in mijn zak. Oma belde. Ik wreef in mijn ogen. Nee, Lien belde. Ik drukte af. Ik stuurde een sms: “Nog even meeting.”
De laaghangende zon stak in mijn ogen. Mijn hoofd leek wel open te barsten. Mijn hart ging wild tekeer.
Hoofdstuk 2
HET KIND STOOF door de coupé en slaakte een zoveelste kreet. Het geluid hielp niet tegen mijn barstende hoofdpijn. Uit mijn tas nam ik een pijnstiller. Het kind bleef recht voor me staan. Ik perste een glimlach op mijn gelaat in een poging tot vriendelijkheid. “Remi, laat die meneer gerust!” riep de moeder. Verward staarde ik haar aan. Het kind draaide zich om en liep naar de moeder. Hij had dezelfde naam als ik, besefte ik. De moeder greep de kleine beet en duwde hem op zijn plaats. De moeder fluisterde iets tegen haar zoon. Ze keek me wantrouwend aan.
De regen kletterde hard op het glas. Ik wreef over mijn armen. Ik had geen jas aan. Oma zou iets gezegd hebben als: “Vergeet je jas niet! Heb je niet naar het nieuws gekeken? Het gaat regenen!” Ik drukte mijn voorhoofd tegen de koude ruit. Het nieuws, het weer. Er waren wel betere dingen om mee bezig te zijn. Mijn stemming was nog slechter dan het weer. Ik probeerde mezelf te vertellen dat het goed zou komen, maar de baksteen in mijn maag ging niet weg. Mijn gsm trilde; ik zag oma staan op het scherm. Het was alsof ze wist dat ik aan haar dacht. Straks, dacht ik. Als de hoofdpijn weg is.
Ik bekeek mezelf in het raam. Het witte licht gaf mijn gezicht een nog blekere schijn. De donkere ringen onder mijn ogen werden geaccentueerd. Ik wreef door mijn warrige, ongekamde haren. Even bleven ze platliggen, maar toen sprongen ze weer alle kanten op.
De man die tegenover me zat, staarde me aan in de reflectie. Traag draaide ik mijn hoofd en staarde ik terug. Hij had helderblauwe ogen, net als ik. Ze hadden zelfs een beetje dezelfde vorm. Die van hem waren kouder. Hij wreef zijn warrige grijze haren in een vlotte beweging plat. Zijn mondhoeken krulden onmerkbaar om. Zijn spottende ogen leken me geen moment los te laten. Hij droeg een zwart pak en kwam me vaag bekend voor.
“Benarde situatie?” vroeg hij. Zijn stem was warm en vriendelijk.
“Hoezo?” antwoordde ik.
“Ik zie het aan je blik.” Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, alsof ik een interessant dier in de zoo was. “Je zit ergens over na te denken.” Zijn stem klonk zo vertrouwd. De man boog zich naar voren.
“Het is het ontslag niet eens, hé? Het is die blik in haar ogen als je het straks moet vertellen.”
Ik verstijfde. Hoe wist hij wat er gebeurd was? Ik wilde opstaan, weglopen, maar mijn benen voelden zwaar. Hij keek me aan en de spot was weg. Wat overbleef, was iets wat op begrip leek.
Te moe om me er nog tegen te verzetten, hoorde ik mezelf zeggen: “Ik heb de energie niet meer om er iets aan te doen.” De moeder van het kind schuifelde heen en weer in haar stoel en keek me ongemakkelijk aan.
“Klinkt zwaar allemaal. Ja, het leven is soms uitzichtloos,” besloot de man. Hij rechtte zijn zwarte das. “Weet je, Remi. Soms moet je gewoon de sleutel vinden voor je beslissingen kunt nemen.” Hij stond op en liep naar de uitgang van de trein.
“Waar ga je heen?” vroeg ik verbaasd.
“Oh, ik moet naar een begrafenis.” Hij knipoogde en verdween. Ik stond op het perron. Weer twee gemiste oproepen van Lien. De regen begon stevig te vallen. Ik stak mijn gsm weg en liep met mijn hoofd gebogen naar mijn fiets.
Het beeld van Lien met tranen in haar teleurgestelde ogen bleef nog lang op mijn netvlies gebrand. Ik zat nog steeds bevroren in de zetel. Hoe lang ik daar zat, kon ik niet zeggen. Alles leek een grote waas. Flarden van haar woorden herhaalden zich in mijn hoofd.
“Het is op, Remi.”
Ze had haar tas gepakt en was vertrokken. Ik wilde schreeuwen. Ik wilde wenen. Maar ik had de energie niet meer. Dus zat ik daar maar. Te malen over hoe de dag was gelopen. Het was niet dat ik het niet had zien aankomen. Het hing al even boven mijn hoofd. Ik legde me neer op de zetel en viel in een soort halve slaap.
Het was pas tegen de late namiddag van de volgende dag dat ik de moed voelde om me uit de zetel te hijsen. Ik keek op mijn gsm. Oma had me gebeld. Zou Lien haar hebben ingelicht? Dat zou moeten wachten. Ik verwijderde de melding en keek mijn berichten na. Tom: “Acht uur, De Dancing Pony. Be there, bro.” Even staarde ik naar het bericht. Ik begon een antwoord te typen, maar bedacht me. Ik smeet mijn gsm naast me op de zetel. Mijn maag rommelde luid. Wanneer had ik voor het laatst gegeten? Ik liep naar de koelkast. Zo goed als leeg. Het enige wat ik met de inhoud zou kunnen maken, was cocktailsaus. Ik keek in de broodbak. Ook leeg. Dan maar naar de winkel. Mijn hoofdpijn had plaatsgemaakt voor een mistig gevoel.
Ik liep naar het raam in de living om te kijken of het nog regende. Ons kleine appartementje – nu mijn kleine appartementje – lag op een drukke straat op de ring van de stad. Ik had goed zicht op wat er zich beneden afspeelde. De fikse regenbui van gisteren was nu een zwakke miezer geworden. Het begon te schemeren. Een lange rij auto’s schoof aan. Af en toe claxonneerde er eentje. Een gezin haastte zich door de regen. Ze liepen voorbij een man in een strak zwart pak. Het was die figuur van de trein. Wat deed hij daar? Hij leunde tegen het muurtje. Het water droop van zijn jas. Het leek hem niet te deren. Hij nam een trekje van zijn sigaret en blies de rook uit in de miezer. Alsof hij de regen niet voelde. Hij wierp zijn sigaret weg en liep de straat uit.
Ik stond in de winkel. Mijn kleren waren doorweekt. Ik schudde mijn hoofd en knipperde wild met mijn ogen. Remi, je ging winkelen; je koelkast was leeg. Wat ging ik kopen? Hoe ik het ook probeerde, ik kon me niet herinneren wat ik ging klaarmaken. Diepvriespizza kan ook smaken.
Tom zat gehurkt voor de koelcel. Shit. Hier had ik geen zin in. Hij had me nog niet gezien. Als ik snel was, kon ik nog wegglippen. Ik probeerde me om te draaien toen hij rechtstond naar me toe liep.
“Hee! Remi!” Ik verstijfde. Hij stond opeens recht voor me.
“Ik heb gehoord wat er gebeurd is.” Hij ging nonchalant met zijn hand door zijn haren. Ze staken wild alle kanten op door de regen. Het gaf hem iets stoers. Bedoelde hij Lien of het werk?
“Ja, het zat eraan te komen,” zei ik. Mijn woorden leken samen te vloeien met het zoemen van de tl-lampen.
“Heftig nieuws, man.” Hij inspecteerde mijn gelaat. “Hoe nam Lien het op?” vroeg hij, terwijl hij zijn handen in de zakken van zijn baggy jeans stopte. Hij bedoelde het ontslag dus.
“Prima,” zuchtte ik terwijl ik in mijn handen wreef. “Echt, prima, maak je geen zorgen.”
“O, gelukkig.” Hij keek me verwachtingsvol aan. “Je komt toch nog naar De Dancing Pony, hè?”
Ik staarde naar Toms witte sneakers. Die van mij waren smerig en versleten. “Goh, ik weet het niet, Tom. Ik moet nog …”
Hij legde een grote hand op mijn schouder. De grip was stevig. “Komaan, Remi. Het gaat je goed doen.” De stilte rekte zich ondragelijk lang uit. Tom bleef me dwingend aanstaren.
“Goed dan,” perste ik eruit. De druk op mijn schouder verdween. Tom leek tevreden.
“Acht uur. Niet vergeten.”
Een paar minuten lang bleef ik even bevroren als de pizza’s in het diepvriesvak staan. Waarom had ik oké gezegd?
Het was nu zo goed als donker buiten. Ik klemde de boodschappentas tegen me aan. Het glas van de bierflesjes rinkelde bij elke stap. Bier en pizza, goed bezig Remi. Het was even gestopt met regenen. De drukte van de avondspits was ook gaan liggen. De straten blonken in het licht van de straatlantaarn. Acht uur. De gedachte alleen al maakte de tas zwaarder. Ik versnelde mijn pas. Waarom was ‘nee’ het moeilijkste woord in de taal? Mijn gsm trilde weer. Opnieuw oma. Ik drukte af. Dat moest maar even wachten.
De vertrouwde geur van curry drong mijn neus binnen. Het waren de curryplanten in de verwilderde tuin van nummer dertig. Het verlaten huisje. Van wie zou het zijn? Ik bleef onbewust staan. Misschien kon ik me daarin verstoppen tot na de caféavond met Tom. De deurgreep blonk uitnodigend in het straatlicht. Ik zou niet langs de voordeur kunnen. Nee, dan zouden ze me zien. Was er nog een weg naar binnen? Dat moest wel zo zijn. Voor zover ik wist, had het altijd leeggestaan. Wie weet wat daarbinnen lag – wat er was achtergelaten, wat er was vergeten. Een huis dat zo lang leegstaat, verzamelt dingen. Stof en vuil, maar ook geheimen. Dingen die jaren het daglicht niet meer hadden gezien. Het gevoel dat er iets in dat huis was dat ik moest zien, drong traag mijn hersenen binnen. Ik maakte een kleine, aarzelende stap richting de deur. Niemand zou het erg vinden moest ik een kijkje nemen, toch? Traag zette ik nog een stap in de richting van het huis. Het huis daagde me stilzwijgend uit. Het leek te weten dat ik niet durfde. De ramen blonken in het straatlicht. Het waren net ogen. Ze leken me aan te staren. Het had iets hypnotiserend. Alsof ik een mot was die aangetrokken werd door de zon. Het idee van een verlaten huis. Vergeten en achtergelaten door de bewoners. Wie weet wat voor geheimen er zich daar achter de deur afspeelden.
Een schouder botste tegen de mijne. Ik verloor bijna de grip op mijn boodschappentas. Het was de man in het zwart. Geen verontschuldiging, geen hapering in zijn pas. Hij gleed weg in de duisternis, vloeiend, alsof zijn schoenen het asfalt niet raakten. Ik deed mijn mond open om hem boos na te roepen, maar de woorden bleven steken. Een koude druppel viel op mijn neus. Nog een. Vrijwel meteen begon het weer te gieten.
Ik holde naar huis. Toen ik binnenkwam, rook ik haar nog. Die vertrouwde lavendelgeur van Lien. Zwak. Niet zo straf als wanneer ze zich net gewassen had, maar het was er wel. Het gaf me een hol gevoel in mijn maag. Dat deed me mijn besluit maken. Ik moest weg daar. Ik kon die geur – die honderden herinneringen met zich meedroeg – niet langer verdragen. Tom had gelijk. Even ertussenuit zou me goed doen. Ik schrokte de pizza op en dronk twee biertjes. Ze gaven me de moed om wat water in mijn gezicht te gooien en me klaar te maken om naar De Dancing Pony te gaan.
Hoofdstuk 3
MIJN OGEN HADDEN moeite met focussen op de ruimte. De lichten knipperden agressief. Ik had een pint in mijn handen. Het besef kwam traag terug. De Dancing Pony. Ik ben in de Dancing Pony. Tom stond met Sarah te praten. Ze gaf hem een speels duwtje. Ik zag zijn vage blik en wist dat ook hij een of twee drankjes te ver zat. Ik liep door de dansende menigte naar hem toe. Sarah zei iets tegen ons. Geen van ons leek er iets van te begrijpen. Feel the Love van Rudimental begon te spelen door de boxen. Het nummer opende een doos aan verloren herinneringen. Ik sloot mijn ogen en liet me wegdrijven op de muziek. Ik liet alles varen. Het gewicht van de afgelopen weken viel van mijn schouders. Ik danste zoals ik jaren niet gedaan had. Zoals de Remi van vroeger. De Remi die zorgeloos op fuifjes dronken had staan dansen en lachen. Mijn mondhoeken voelden stroef aan toen ik ze in een grijns omkrulde. Daar stond ik te dansen met Sarah en Tom. De bas beukte op mij in. De lichten flitsten als bliksem; het licht was scherp en genadeloos. De muziek begon vreemde tonen aan te nemen. Tom schreeuwde iets in mijn oor zonder dat ik er iets van begreep. Ik dronk het laatste restje bier op en sloot mijn ogen. Het duizelde me. De geluiden van De Dancing Pony vloeide samen tot een onaangenaam geruis. “Even buiten,” hoorde ik mezelf zeggen. Ik wachtte niet op antwoord en wurmde me een weg naar buiten, dwars door de muur van zwetende lichamen.
Buiten was de lucht scherp en fris. Ik leunde tegen een muurtje en sloot mijn ogen. Mijn hart klopte hevig in mijn keel. Mijn ademhaling was snel en onregelmatig.
“Wil je ook een peuk?” Ik deed mijn ogen open. Hij stond in de schaduw. Zijn sigaret verlichtte zijn kille, blauwe ogen.
“Volg je mij of zo?” vroeg ik. Ik probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen. Wat wilde hij van mij?
Hij grinnikte, rook ontsnapte uit zijn mondhoeken. “Ik woon in je straat, Remi.” Het viel me nog eens op hoe aangenaam zijn stem was. Het werkte ontwapenend. Ik ademde nog een keer diep in en uit. Hij hield me het pakje sigaretten voor. Mijn hand trilde toen ik er eentje nam. Ik had al jaren niet meer gerookt, maar op dit moment leek alles beter dan de verstikkende lucht van het café.
“Laten we zeggen dat ik een geïnteresseerde buur ben,” ging hij verder.
Even rookten we in stilte, maar toen vroeg hij: “Je hebt er ook aan gedacht, hè?”
Ik trok een wenkbrauw op. Hoe kon hij dat weten? “Je weet wat ik bedoel.”
Hij zweeg even. Hij ontblootte zijn tanden tot een glimlach. Er ontstond een hol gevoel in mijn maag.
“Je wilt het doen, hè?” Het was alsof hij vroeg welk weer het morgen zou worden. Snel keek ik om me heen. De koude lucht hield het zweet op mijn voorhoofd niet tegen. De gedachten die tot nu toe alleen in mijn achterhoofd hadden rondgespookt, drongen naar de voorgrond.
“Hoe bedoel je?” stamelde ik. De haren op mijn armen stonden recht omhoog. Het was alsof hij mijn diepste gedachten kon lezen, gedachten die ik zelfs voor mezelf onderdrukt had.
“Ik zie het in je ogen.” Hij bracht zijn hoofd dichter bij, alsof hij zijn woorden kracht wilde bijzetten door mijn ogen grondig te bestuderen. “Je stond naar het huis te kijken en toen zag ik je ogen.”
“Mijn ogen?” Mijn klamme handen balden zich tot vuisten. Wist hij meer of was hij me voor de gek aan het houden?
“Je wilt het doen,” zei hij. Zijn stem was enkel voor mij bedoeld. “Maar je durft niet.”
Hij pauzeerde even. Ik kon de woorden niet over mijn lippen krijgen. Als ik ze zou uitspreken, zouden ze echt worden. Hij kwam dichterbij. Hij leunde nog verder voorover.
“Ga niet op zoek naar antwoorden, Remi,” fluisterde hij. “Ga op zoek naar de sleutel.”
Mijn adem stokte.
“De sleutel?” bracht ik schor uit. Weer die sleutel. Daar had hij op de trein het ook over gehad. Wat bedoelde hij?
“Ja, Remi, de sleutel. Je weet waar die ligt.”
Hij trok zich terug, maar de woorden bleven als een statische spanning tussen ons hangen.
Ik voelde een tik op mijn schouder. Het was Tom. Hij stond me aan te gapen. Naast zijn vage ogen merkte ik nog iets op in zijn blik. Was het vriendelijkheid of medelijden?
“Sinds wanneer rook je weer?” lalde hij. Hij grinnikte. Mijn blik gleed over straat. De man was spoorloos verdwenen. “Je was plots weg,” ging Tom verder.
“Heb je hem zien weggaan?” vroeg ik. Waar was de man heen? Het was alsof hij in de rook van zijn sigaret was opgegaan.
“Wat? Waar heb je het over, gast?” vroeg Tom. Hij keek me aan alsof ik wartaal uitsloeg.
“Die man. Die man in het zwart.” Mijn mond voelde droog aan. Nu wist ik zeker dat het medelijden was.
“Hé Remi, gaat het wel met je?” Tom legde zijn handen op mijn schouders. “Zullen we nog een biertje halen?”
“Ik voel me prima,” zei ik droogjes. Ik wendde mijn blik af. Hij zette me voor schut met zijn betuttelingen. Hij wilde me onzeker doen voelen. Ze konden allemaal naar de hel met hun medelijden. Het was een slecht idee geweest om af te spreken met Tom. Hij dacht vast dat hij me hielp, maar ik had geen hulp nodig. Ik redde het heus wel op mijn eentje.
“Ik ben gewoon moe, Tom,” zei ik kort. Hij kneep in mijn schouder. “Weet je, Remi, je moet gewoon even…” Hij onderdrukte een boer. “…rusten, man.” Zijn vage blik en grijns maakten me kwaad. Hij maakte me belachelijk. Ik onderdrukte de woorden die in mij opwelden. Hoe sneller ik weg was, hoe beter.
“Je hebt gelijk,” loog ik. “Het zijn lange dagen geweest. Werken, eten, slapen. Meer is het niet.”
Hij gaf me een knuffel. “Ik bel je morgen. Om af te spreken.”
Ik knikte robotisch. Draaide me om en vertrok. Waarheen kon me niets schelen. Zolang het maar weg was van het café. Weg van Tom. Mijn benen bewogen op automatische piloot. Waarom dacht je dat het een goed idee was, Remi? Op café, juist nu? De woede die Tom in me had opgewekt, ging tekeer in mij als een laaiend vuur. De straat bewoog onder mijn voeten als een slecht gerenderde game. Het had niets met het bier te maken. Ik schudde mijn hoofd. Waarom was ik zo boos? Misschien heeft Tom gelijk. Beter eten, sporten, slaap, dat heb ik nodig. Ik balde mijn handen tot vuisten. Alsof dat het zou oplossen. Toms gezicht dreef spottend voorbij. Ik maaide met mijn armen om hem weg te jagen. Het gezicht spatte uit elkaar als een zeepbel. Wie dacht hij dat hij was? Hij en de rest. Ze hadden mij als een kind naar huis gestuurd. Ik trapte een zwervend blikje voor me uit. Toms stem galmde door mijn hoofd. “Heb je Remi gezien? Wat de fok is daar mis mee tegenwoordig?” Ze zaten vast met mij te lachen. Ik, zielig? Ik spuugde op de grond. Ik zal ze laten zien wie zielig is.
Iedereen had zich tegen mij gekeerd. Er was niemand die wist hoe ik me voelde. Bijna niemand. Er was een iemand die me had proberen helpen. Hij had ze door. Hij wist dat ze met mij lachten. Hij wilde me helpen. Dat voelde ik. Het huis. Nummer dertig en de sleutel. Hij bleef het herhalen. Wat wilde hij dat ik deed? Hij wist iets. Iets wat niemand anders wist. Maar wat? Zoveel vragen. Zo weinig antwoorden.
Mijn voeten hielden abrupt halt. Traag draaide ik me naar nummer dertig toe. Daar stond het huis. Het leek zich naar mij toe te buigen. Het leek wel te ademen door de duivelse schijn van de lantaarnpaal. De afgeblakerde groene deur, een gulzige muil die me toe lachte. De ramen, fonkelende ogen die me uitdaagden. Mijn voeten begonnen traag naar de deur te bewegen.
Zijn vertrouwde stem brak de betovering. “Nog niet, Remi.” De man in het zwart greep mijn arm stevig beet. “Ik begrijp het. Ik voel het ook.” Ik bleef stokstijf staan en draaide mijn hoofd naar hem. Zijn helderblauwe ogen blonken. Ik kon zien dat hij mijn verlangen deelde. “Het heeft je in zijn greep.” Hij knipperde geen moment met zijn ogen. Hij zweeg even. “Ze mogen ons niet zien, Remi.”
“Wat is daar binnen?” fluisterde ik gretig.
“De antwoorden.”
“Waar wachten we dan op?” Ik probeerde me los te wrikken, maar hij hield me stevig beet.
Hij schudde traag zijn hoofd. “Nee, Remi. Ze mogen ons niet zien.”
“Waarom niet?” Mijn stem klonk schor. Ik keek om me heen als een bang hert.
“Ze willen ons tegenhouden, Remi.” Zijn stem was kil. “Ze willen niet dat we het goed hebben.”
Nu moest ik wel naar binnen. “Ik wil het nu zien!” Zijn woorden hadden het alleen maar bevestigd. Mijn zogenaamde vrienden wilden niet dat ik gelukkig was.
“We gaan spoedig naar binnen, vriend.” Zijn stem klonk als zoete honing.
“Wanneer dan?” Hij voelde dat ik niet langer naar binnen zou stormen en liet mijn arm los.
“In de dode uren van de nacht. Wanneer iedereen slaapt. Ga nu naar huis. Val niet in slaap. Je moet wakker blijven. Dat is heel belangrijk. Wacht … en als het tijd is, kom ik je halen.”
Hij had gelijk. Ik kon niet in slaap vallen. Nu wist ik het zeker. Hij ging me de antwoorden op al mijn problemen bezorgen. Ik moest luisteren. Het was de enige manier. Hij hield zijn vinger voor zijn mond en wees richting mijn appartement. Ik knikte en navigeerde naar huis. De man loste op in de mist. Toch kon ik zijn aanwezigheid nog voelen. Hij hield me in de gaten als een soort beschermengel. Ik strompelde mijn appartement binnen. Met mijn kleren aan ging ik op de rand van het bed zitten en ik wachtte. Ik wachtte op zijn verlossende woorden.
Hoofdstuk 4
DE TIJD LOSTE op. Ik werd één met het donker. Mijn wereld was gekrompen tot die ene witte muur tegenover me, tot ook die begon te vervagen. De muur ademde, zwol op en trok zich terug alsof er iets achter zat dat probeerde te ontsnappen. Kleuren welden op uit het niets. Ze drongen mijn ogen binnen. Ik wilde wegkijken, maar wegkijken lukte niet. Het was alsof een onzichtbare hand mijn hoofd naar de muur gericht hield en me dwong te kijken.
De kleuren stolden, trokken samen tot vormen van vlees. Een kaak. Een wenkbrauw. Een witte grijns die me kwaadaardig groette. Toms grijns brak open in de duisternis, zo dichtbij dat ik zijn adem op mijn gezicht voelde. Zijn geluidloze lach deed mijn nekharen overeind staan. Zijn zielloze ogen staarden me aan. Opnieuw probeerde ik me weg te draaien, maar de onzichtbare hand had een ijzeren grip op me.
Toms mond opende zich onnatuurlijk wijd. Er kropen blonde slierten haar uit. Ze kronkelden als slangen naar boven. Ze werden gevolgd door een hoofd. Liens ogen waren geel en hadden gespleten pupillen. Ze keken me woest aan. Lien begon te spreken. Verwijten werden als messen op me afgevuurd, sneller en sneller. Ik probeerde niet langer weg te kijken – de verwijten hadden al mijn wilskracht ontnomen. Het gezicht van Lien begon traag ouder te worden en van vorm te veranderen. Het nieuwe gezicht zag er niet kwaadaardig uit. Gewoon droevig en oud. Tranen rolden over het lijkbleke gezicht van de oude vrouw. Verward probeerde ik te bedenken aan wie het toebehoorde. Naast me vormde zich een rookwolk. Toen de zwarte rook oploste, zat de man naast me.
Hij plaatste zijn hand op mijn schouder. “Vergeet hen,” zei hij zacht. “Ze willen je klein houden, Remi.”
Ik knikte. Hij hief zijn arm op. Hij had mijn keukenmes vast. Hij wierp het naar de muur. Het mes ging dwars door de schim van Lien, die als glas uit elkaar spatte.
“Ze wilde je tegenhouden. Zodat je niet naar het huis zou gaan.”
Die woorden maakten me klaarwakker. Het huis. Ze hadden me willen tegenhouden en het was hun bijna gelukt. Het was weer de man geweest die me gered had.
“Vergeet ze, Remi. Allemaal.” Hij keek me strak aan. “Ook de gezichten die je niet meer kunt plaatsen.” Hij stond op en trok het mes uit de muur. “Het is tijd, Remi.” Hij wandelde de kamer uit. Haastig sprong ik recht en liep achter hem aan.
Ik volgde hem de gang in. Een ijzige vastberadenheid had bezit van me genomen. Ik deed geen schoenen aan. Ze mochten ons niet horen. Ze zouden proberen ons tegen te houden. De man knikte alsof hij me hoorde denken. Er scheen een gretig licht in zijn ogen. Een donker verlangen. Normaal zou het me bang gemaakt hebben, maar ik wist dat ik diezelfde blik in mijn eigen ogen droeg. We waren elkaars spiegel.
Traag duwde ik de voordeur op een kier. Ik stak mijn hoofd naar buiten. De straat was verlaten. De verlichting was uit. Kom. Het is veilig. Mijn ogen waren gewend aan de duisternis. Het had evengoed klaarlichte dag kunnen zijn. Ik liep midden op de straat. Het asfalt schuurde aan mijn voeten en toch leek het alsof ik over de weg zweefde.
Geritsel in de struiken. Ik bleef staan. Volgen ze ons? Nee. We waren ze te slim af geweest door te wachten op het juiste moment. Het enige moment. Een rat schoot uit de struiken en dook weg in een rioolputje.
“Zie je wel? We moeten ons haasten,” siste hij.
We waren nu met twee. Hij en ik. Remi en de man in het zwart. Als een marionet liet ik me leiden. We gleden als één organisme door de nacht.
We bleven staan voor de verwilderde tuin van nummer 30.
“Hoe gaan we naar binnen? Beuken we de deur in? Of klimmen we over het hek?” Ik keek nogmaals of niemand ons bespiedde. We waren nu te ver gekomen om te falen. Als ze ons in de weg zouden staan, zouden ze het voelen.
“Nee, Remi, dat is niet nodig. We moeten gewoon de sleutel gebruiken.”
Verward tastte ik mijn zakken af.
“De sleutel? Waar is die dan?” Wat bedoelde hij toch met die sleutel?
“Weet je dat nu nog niet?” Hij grinnikte. “In je rechterzak, Remi.”
Ik stak mijn hand in mijn rechterbroekzak. Mijn vingers streelden het koude metaal en sloten zich om de sleutel.
“Hoe?” stamelde ik. Hij gaf geen antwoord. Hij lachte alleen. De sleutel voelde vertrouwd, alsof ik wist dat hij daar altijd al had gezeten. Hij voelde als een doodgewone sleutel. Niets vertelde me dat het de sleutel naar alle antwoorden was.
“Vooruit. Open de deur.”
Een laatste blik over mijn schouder. De straat lag stil. Niemand. We waren alleen. Traag, alsof ik in een processie liep, begaf ik me naar de voordeur. Ik stak mijn trillende hand met de sleutel voor me uit. Het was zover.
“Hij past,” bracht ik schor uit.
“Natuurlijk past hij,” zei de man droog.
De scharnieren maakten een roestig, piepend geluid. Ik stapte de gang in. De man stond vlak achter mij. Hij gaf me een duwtje. Ik strompelde naar binnen. In het huis hing een warme, aangename lucht. Niet de klamme vochtgeur die ik verwacht had. De geur had iets vertrouwds, als thuiskomen. Een geur die me ergens aan deed denken, ergens lang geleden, iets wat ik bijna kon plaatsen. Vlekken zweefden voor mijn ogen. Een gonzend geluid, alsof ik onder water zat, suisde door mijn oren.
“Laat je niet afleiden.” Zijn stem klonk vlak achter me.
De voordeur viel met een klap dicht. Ik schrok op en keek om. Boven klonk gestommel.
“Laat je niet afleiden, Remi,” herhaalde hij dwingend.
“Waarheen?” Mijn stem was niet meer van mij.
“De witte deur. Aan het einde van de gang.” Hij zei het bijna zingend.
Ik liep verder. De gang was langer dan ik had gedacht. Of misschien was ik trager. De vlekken werden erger. De geur drong dieper, vulde mijn schedel, drukte tegen de binnenkant van mijn ogen. Ik wankelde. Ergens vanuit een uithoek van mijn hoofd wrong een gedachte zich los: je weet wat dit is, je weet het, je weet het. De witte deur. Ik moet naar de witte deur.
De pijn in mijn hoofd werd onverdraaglijk. Mijn benen wilden me niet meer dragen en toch droegen ze me. De witte deur aan het einde van de gang was het enige wat nog bestond. Het enige ankerpunt in een wereld die kantelde. Achter die deur zou het ophouden. Achter die deur zou alles eindelijk gedaan zijn.
“Ga binnen, Remi. We zijn er.” Ik voelde zijn hete adem in mijn nek.
Als een hond op commando legde ik mijn hand op de klink. Ik duwde de deur open.
“Wees welgekomen, Remi.” De man stond al binnen. Hij hief spottend zijn handen. “Doe alsof je thuis bent.”
De kamer was klein. Een tafel tegen de muur, een versleten fauteuil in de hoek. Aan elke muur, foto’s. Tientallen. Ingelijst, opgehangen, scheef, recht, in lijsten van hout en koper en plastic. Ik deed een stap naar voren. De foto’s tolden, of ik tolde, ik wist het niet meer. Ik kneep mijn ogen samen om scherp te stellen.
Mijn dode ouders, jong nog, op een strand dat ik niet herkende. Opa met een sigaar tussen zijn lippen. Tom en ik, lachend, ergens in een tuin. Ik en Lien op een feestje, haar hand op mijn borst. Ze glimlachten allemaal naar me. Allemaal.
En toen, tussen al die gezichten, één gezicht dat vaker terugkwam dan de rest. Een oude vrouw met grijs haar. Op tien, twintig, dertig foto’s. Lachend met een baby op haar arm. Naast een verjaardagstaart. In een keuken. Met haar hand op mijn schouder. Het gezicht uit mijn kamer dat ik vergeten was.
“Oma,” bracht ik bijna geluidsloos uit.
Het besef raakte me als een baksteen tegen mijn slaap. Oma. Hoe had ik haar kunnen vergeten? De foto’s begonnen sneller rond te draaien en mijn maag draaide met ze mee. Ik zakte door mijn knieën en braakte. Mijn keel brandde.
“Waarom?” bracht ik schor uit. Het kwam er bijna niet meer uit.
De man liep naar me toe. Hij hurkte voor me. Zijn hand kwam onder mijn kin, hief mijn gezicht op tot ik hem moest aankijken.
“Voor we vertrekken,” zei hij zacht, “moeten we zien wat we achterlaten.”
Mijn ogen gleden over zijn schouder, terug naar de muur. Naar de foto van mij en Lien. Naar haar hand op mijn borst.
“Ik kan die persoon niet langer zijn,” fluisterde ik.
“Dat weet ik, Remi.” Hij hielp me overeind. Hij hield me vast, ondersteunde me alsof ik een kind was. “Daarom ben ik hier. Om je te helpen.”
Hij stak zijn hand uit. Op zijn handpalm lag het mes. Hetzelfde mes dat hij in mijn kamer door Lien had gegooid.
“Snel nu, jongen. We hebben niet veel tijd.”
“Ik weet niet of ik het kan,” bracht ik uit.
“Wat heb je te verliezen?” Zijn stem werd kouder. “Je hebt al niets meer.”
Hij drukte het mes in mijn hand. Ergens in de verte loeide een sirene. Eén, toen twee. Ze kwamen dichterbij.
“Hoor je?” Hij keek me aan als een hongerig roofdier. “Ze zijn er bijna. Doe het.”
Hij had gelijk. Het was nu of nooit. Ik bracht het mes naar mijn pols. Mijn hand trilde zo erg dat het lemmet danste boven mijn huid. Het zou bevrijdend zijn. Ik zou nooit meer Toms ogen vol medelijden hoeven aanzien. Nooit meer de teleurgestelde blik van Lien. Dit was het einde. Eindelijk. Het mes voelde koud aan mijn pols. Traag, heel traag begon ik te snijden. Een stekende sensatie. De eerste druppel bloed welde op.
Een blauw licht flitste onder de gordijnen door.
“Haast je, Remi. Ze komen.” Zijn stem galmde door mijn hoofd. Maar toen ik opkeek, zag ik hem niet meer. Alleen zijn stem bleef. Het mes haperde op mijn pols.
“Doe het, Remi! Doe het!”
De gezichten op de muur flitsten door mijn hoofd. Tom, lachend, ergens in een tuin. Lien voor ze geel werd, voor ze siste. Oma met een baby in haar armen. Ik was die baby. De voordeur sloeg dicht. Voetstappen in de gang. Mijn hart bonsde in mijn keel.
“Ik kan het niet.” Mijn stem klonk vlak. Vermoeid.
“Zwakkeling.” De man klonk teleurgesteld. Ik voelde hem de kamer verlaten.
De witte deur ging open. Een klein oud vrouwtje liep moeizaam binnen. De vrouw van de foto’s. Levend. Oma.
“Leg dat mes weg, Remi.” Haar stem was fragiel maar warm.
Ik staarde haar aan. Wat deed ze hier? Hoe had ze geweten dat ik hier was? Het bonzen in mijn hoofd, dat ik even kwijt was geweest, sloeg terug met dubbele kracht.
“Maar ik ben zo dichtbij, oma.” Ik snikte het er bijna uit. “Zo dichtbij.” Ergens in de verte hoorde ik de man. Zwakkeling. Je bent te laat.
“Kom, jongen. Leg dat mes weg.” Ze klonk niet bang. Ze klonk verdrietig. Ze deed nog een stap.
Ik deinsde achteruit tot mijn rug de muur raakte. Een lijst drukte tussen mijn schouderbladen.
“Nee, oma. Ze kunnen mij nu niet meer tegenhouden.”
“Niemand wil je tegenhouden, Remi.” Ze stak haar hand uit.
Twee agenten stapten de kamer in achter haar. Een man en een vrouw. Ze kwamen voorzichtig dichter, alsof ze een dier benaderden.
“Luister naar je oma,” zei de vrouw rustig. “We willen je helpen.”
“Blijf weg!” Ik hield het mes voor me uit. Mijn hand trilde niet meer. Ergens diep in mij wist ik dat ik hier weg moest, dat dit een val was, dat zíj de val waren.
“Kom, Remi, leg dat mes weg,” zei de andere agent.
Ze kwamen traag dichterbij. De kamer leek te krimpen. Mijn blik flitste naar de deuropening achter hen. Ik moest er langs. Ik moest weg. Oma zette nog een stap en stak haar hand uit naar mijn pols. Ik duwde haar weg. Harder dan bedoeld. Ze viel met doffe slag. Een kreun. Ik smeet het mes naar de agente. Ze dook opzij. Het mes ketste tegen een lijst en kletterde op de grond. Ik spurtte naar de deur en probeerde de andere agent voorbij te komen.
Hij greep me bij mijn pols. Mijn gewonde pols. De pijn schoot tot in mijn schouder. Hij draaide mijn arm op mijn rug en duwde me naar voren. Mijn knieën knakten. Mijn wang sloeg tegen het tapijt. Ik proefde stof en gal. Oma kreunde nog. De agente riep iets in haar radio dat ik niet kon volgen. Het bonzen in mijn hoofd had alles overgenomen. Ik spartelde, schopte, kreeg geen lucht.
Ze trokken me overeind en sleepten me naar buiten. De gang was korter nu. De voordeur stond open.
Op straat, midden in het zwiepende blauw, stond de man. Roerloos. Hij keek me aan met een glimlach die ik kende.
“Verrader!” schreeuwde ik. “Klootzak!”
Hij begon te lachen. Een lach die door merg en been ging. Terwijl ze me in de auto wurmden besefte ik voor één duizelend moment dat ik niet wist of hij lachte of ik. De wereld begon te tollen. Alle kracht vloeide uit mijn lichaam. Er bleef niets meer over, alleen het gelach en toen niets meer. Enkel duisternis.
Het zoemen van de tl-lampen was het enige geluid in de kamer. Ik lag op bed en staarde naar het plafond. De tegels hadden een patroon dat ik gisteren niet was opgevallen. Mijn pols klopte onder het verband. Ik sleepte mezelf naar de wasbak. Het kostte meer moeite dan het had moeten kosten. Mijn benen voelden alsof ze van iemand anders waren. Ik zette mijn handen op de rand van de wasbak en keek op.
Een bleek, ingevallen gelaat staarde me aan. Donkere kringen onder helderblauwe ogen. Die ogen die me kil aanstaarden. Een koude grijns op zijn gezicht.
“Hallo, Remi.”
Ik schudde mijn hoofd. Het beeld bleef. Ik keek opnieuw. Langer nu. Ik liet hem kijken. De kleur van zijn ogen. De vorm van zijn mond. Zijn scheve neus. Het warrige haar. De man in het zwart was de man in de spiegel. Hij was er altijd geweest.
Met een moeizame plof gleed ik op het bed. Ik sloot mijn ogen. En zonder dat ik het kon tegenhouden, brak alles open. Alle gevoelens die ik diep van binnen had weggestoken – de dingen die ik niet had durven voelen, omdat voelen me zou breken. Het kwam er allemaal tegelijk uit. Ik weende als een kind. Ik schaamde me niet. Er was niemand om me voor te schamen, en zelfs als er iemand was geweest, had het me niet meer kunnen schelen.
Ik weet niet hoe lang het duurde. Toen het ophield, lag ik stil. Mijn ademhaling traag. Mijn hoofd leeg op een manier die ik niet meer kende. En toen, onverwacht, kwam het lachen. Eerst een schok, alsof ik nieste. Dan een echte lach. Het voelde vreemd aan mijn kaken, alsof ze het verleerd waren. Maar het kwam.
De deur ging open. Een verpleegster stak haar hoofd om de hoek.
“Meneer? Gaat het wel?”
Ze legde een hand op mijn voorhoofd. Haar hand was koel. Ik keek haar aan met mijn rood omrande ogen.
“Nee, helemaal niet,” zei ik schor. “Daarvoor ben ik hier toch?”
Ik sloot mijn ogen en liet me meevoeren door een lange, droomloze slaap.

















